Boeren in de stad. En waarom Amersfoort een tweede stadsmuur bouwde

Amersfoort heeft twee stadsmuren. De oudste en binnenste stadsmuur, waarin nu de muurhuizen zijn gevestigd, dateert uit de 13e eeuw. In de 14e eeuw kwam daar een tweede stadsmuur bij.

Francien Snieder, stadsarcheoloog in Amersfoort, onderzocht hoe de bouw van de tweede stadsmuur samenhangt met het agrarisch karakter dat Amersfoort lang gehouden heeft. Onderstaande tekst is op gebaseerd op haar artikel in het Jaarboek Flehite 2010, ‘Boeren in de stad. En waarom Amersfoort een tweede stadsmuur bouwde‘. U kunt het artikel onderaan deze pagina downloaden.

Amersfoort in de 11e eeuw en 12 eeuw

Amersfoort ligt op de grens tussen hoger gelegen droge gebieden en lager gelegen natte gebieden. In de 11e eeuw vestigden zich boeren in het Amersfoortse gebied. In dezelfde periode vonden de eerste ontginningen plaats onder leiding van de bisschop van Utrecht, die een groot deel van de gronden in bezit had. De bisschop vestigde een hofstede op de plek waar nu de Sint Joriskerk staat. Tegen het einde van de 12e eeuw ontstonden in het gebied van Havik tot Krommestraat meer stedelijke activiteiten. Rond 1200 werden de Korte- en de Langegracht gegraven onder andere om de afwatering naar het noordwesten te versnellen.

Stadsrechten en de eerste stadsmuur in de 13e eeuw

In 1259 verleende bisschop Hendrik van Vianden stadsrechten aan Amersfoort. Er kwam een stadbestuur en men begon met de bouw van een stadsmuur. Eerst verrezen de poorten, daarna de muur met daarvoor een dubbele gracht. In de 13e en in de 14e eeuw ontwikkelde Amersfoort zich verder als stad, hoewel de vestigingen van boerderijen ook gewoon doorgingen. De Hof was in de 13e eeuw al als marktplein in gebruik. Bij archeologisch onderzoek op de Hof werd een grote drenkplaats voor het vee gevonden.

Bouw van de tweede stadsmuur in de 14e eeuw

Rond 1375-1380 besloot het stadsbestuur tot de bouw van een tweede stadsmuur. Dit was een opvallende beslissing, want de stad was nog lang niet volgebouwd. De bouw begon aan de noordoostzijde van de stad, waar de gebiedsuitbreiding het grootste was. In totaal verschafte de tweede stadsmuur Amersfoort een verdrievoudiging van het grondgebied.

Amersfoort maakt in de 14e eeuw een periode van groei door. Uitbreiding van grondgebied voor bewoning zal in het besluit om een nieuwe stadsmuur te bouwen zeker een rol hebben gespeeld. Maar het is ook mogelijk dat de bouw van de muur vooral in het belang van de agrarische sector was bedoeld.

Tweede stadsmuur in dienst van landbouw en veeteelt

Agrarische activiteiten als de veehandel, de bierproductie en in de 15e eeuw de textielnijverheid vormden de basis van de Amersfoortse economie. De stad vervulde ook een belangrijke rol als regionaal marktcentrum voor het omliggende land.
Van de veehandel waren de ossenhandel en het ossenweidersbedrijf de belangrijkste ondernemingen. In het vroege voorjaar kochten zogenaamde vetweiders magere ossen op de ‘magere ossenmarkt’. Daarna lieten zij ze een half jaar op de weides rond Amersfoort grazen. Half oktober werden de nu vette ossen weer verkocht.
Ossenhandelaren en vetweiders behoorden tot de stedelijke elite en waren vaak afkomstig uit kringen van bestuurders. Zij waren vermogend en beschikten ook over veel grond om de beesten te laten grazen. Zij hadden dus een persoonlijk belang bij de bouw van de tweede stadsmuur. Deze bood bescherming aan boerenbedrijven. Daarnaast moest in tijden van oorlog de voedselvoorziening van de stad veiliggesteld kunnen worden.

Het gebied tussen de eerste en de tweede stadsmuur hield lang vooral een agrarische bestemming. Buiten de bebouwing langs de doorgaande wegen als Kamp, Utrechtsestraat en Arnhemsestraat, was het gebied tussen de muren uitgesproken leeg. Er waren wel veel boomgaarden, moestuinen en hooibergen.
Zo kan de conclusie worden getrokken dat Amersfoort in de middeleeuwen en in de eeuwen daarna een klein marktstadje was, maar ook een groot boerendorp met een enorme muur eromheen.

Verder lezen?

Wilt u het hele artikel lezen? U kunt het hier downloaden:

U kunt het Historisch Jaarboek Flehite nabestellen. Daarover vindt u hier meer informatie.

2 augustus 1787: ontploffing van de Onze Lieve Vrouwekerk in Amersfoort

De Onze Lieve Vrouwetoren, ook wel de Lange Jan genoemd, staat al meer dan 230 jaar zonder kerkgebouw op het Onze Lieve Vrouwekerkhof in Amersfoort. De kerk, die als munitiedepot werd gebruikt, ontplofte op ‘bloedige donderdag’, 2 augustus 1787. Johan Teters beschreef de gebeurtenissen in het Jaarboek Flehite 2016. Onderstaande tekst is op zijn artikel gebaseerd. U kunt het artikel onderaan deze pagina downloaden.

De kerk gebruikt als munitiedepot

In 1787 dreigde in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een burgeroorlog. Stadhouder Willem V en zijn conservatieve aanhang stonden tegenover de patriotten, die democratische vernieuwingen nastreefden. Amersfoort werd het hoofdkwartier van het leger van Willem V tegen de opstandige steden in het westen. In de stad waren honderden soldaten ingekwartierd, voor een groot deel huurlingen uit Duitsland, Frankrijk en Wallonië. Ook de stadhouder zelf was in Amersfoort. Hij logeerde in het huis met de paarse Ruitjes van Benjamin Cohen aan de Westsingel.

Rond de stad vonden schermutselingen plaats tussen het stadhouderlijke leger en de patriottische vrijkorpsen uit Holland en de stad Utrecht. Een gedeelte van de benodigde munitie werd opgeslagen in de Onze Lieve Vrouwekerk. De kerk had weinig status, het was een ‘armeluiskerk’ en werd naast de wekelijkse dienst gebruikt voor allerlei doeleinden. In de zomer van 1787 werd er ook een werkplaats voor ‘vuurwerkers’ ingericht, waar bommen en granaten werden gevuld.

De ramp

Op donderdag 2 augustus 1787, omstreeks half 11 in de ochtend, ging het mis in de werkplaats. Enkele gevulde granaten kwamen tot ontploffing, gevolgd door nog een ontploffing en daarna een heftige explosie. Het dak werd gedeeltelijk weggeblazen en er ontstond een grote brand. Paniek brak uit, maar al snel reageerden burgerij, bestuur en leger alert en begon het bluswerk. Men kreeg de felle brand onder controle en nog dezelfde dag kon de resterende munitie worden verwijderd. Minstens negen mensen kwamen om en velen raakten zwaar gewond. Maar de ramp had nog veel groter kunnen zijn. Alleen de werkvoorraad van de vuurwerkers was ontploft. Het grootste gedeelte van de opgeslagen munitie, waaronder 160 vaatjes buskruit, was aan de andere kant van de kerk opgeslagen en bleef vrijwel ongehavend.

Afbraak van de ruïne in 1809

De buitenmuren van de kerk stonden na de ramp nog min of meer overeind en ook de toren was gespaard gebleven. Ondanks de zware schade was de kerk herstelbaar. 22 jaar sleepte de discussie over de kosten zich voort, maar uiteindelijk bleek herbouw niet haalbaar. In 1809 besloot het kerkbestuur tot afbraak van de ruïne.
In de bestrating van het huidige plein zijn de fundamenten van de verdwenen kerk gemarkeerd.

Verder lezen?

Wilt u het hele artikel lezen? U kunt het hier downloaden:

Johan Teters, Bloedige Donderdag 2 augustus 1787. De Amersfoortse Onze Lieve Vrouwekerk ontploft, in Jaarboek Flehite 2016.

U kunt het Historisch Jaarboek Flehite nabestellen. Daarover vindt u hier meer informatie.

Berichtgeving in de patriottische “Nederlandsche courant”. Amsterdam, 1787/08/06 00:00:00, p. 1.

Geraadpleegd op Delpher op 01-08-2020, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010720933:mpeg21:p001

Het gemeentelijk ziekenhuis voor besmettelijke ziekten op het terrein van het Hofje Armen de Poth (1874-1904)

In 1874 werd in Amersfoort op het terrein van het Hofje Armen de Pot het gemeentelijk ziekenhuis voor besmettelijke ziekten gesticht. De gemeente gaf daarmee uitvoering aan een nieuwe wet die in 1872 van kracht was geworden: de ‘Wet tot voorziening tegen besmettelijke ziekten’. Wat was de aanleiding voor deze nieuwe wet? Hoe ging men in Amersfoort om met mensen met een besmettelijke ziekte en hoe functioneerde het nieuwe ziekenhuis?

In het Jaarboek Flehite 2005 schreef de heer D.C. Hoevers er een informatief artikel over, ‘Het gemeentelijk ziekenhuis voor besmettelijke ziekten op het terrein van het Hofje Armen de Poth (1874-1904)‘. U leest hieronder een korte weergave van het artikel. U kunt onderaan deze pagina ook het hele artikel downloaden.

Aanleiding voor nieuwe wetgeving: cholera-epidemie in 1866/67 en pokkenepidemie in 1871

In de loop van de 19e eeuw begon men steeds meer te begrijpen van het hoe en waarom van besmettelijke ziekten. De overheid deed haar best om epidemieën te voorkomen. De grote cholera-epidemie in 1866/67 en de pokkenepidemie in 1871 waren aanleiding voor een nieuwe wet in Nederland ter preventie en behandeling van besmettelijke ziekten. Op 4 december 1872 trad de wet in werking. Voortaan moest elke gemeente in Nederland beschikken over een inrichting voor afzondering en verpleging van besmettelijke zieke mensen, die leden aan bijvoorbeeld cholera, difterie, mazelen, tyfus, roodvonk en pokken.

Een nieuwe inrichting voor besmettelijke ziekten in Amersfoort

Amersfoort had in 1872 geen voorziening voor mensen met een besmettelijke ziekte. Het pesthuis, dat sinds 1500 stond op het terrein van het Hofje Armen de Poth, functioneerde allang niet meer en werd gebruikt als opslagruimte. Het werd in 1892 gesloopt. Het leprozen- of melaatsenhuis, dat sinds 1410 aan de Hogeweg stond, was in 1641 opgeheven. Het Sint Elisabeth’s Gasthuis, dat was gesticht in 1559 en gevestigd in de Muurhuizen 33 A, B en C, nam geen mensen op met een besmettelijke (‘aanstekelijke’) ziekte.

Om de wet van 1872 te kunnen uitvoeren moest de gemeente dus eerst op zoek naar geschikte locatie. Het oog viel op een stal op het terrein van het Hofje De Armen de Poth, op de hoek van de Coninckstraat en de Pothstraat. De gemeente kreeg van de Gedeputeerde Staten van Utrecht toestemming om het ziekenhuis binnen de kom te vestigen en kocht in 1873 de stal en de achterliggende tuingrond. De bouw kon beginnen.

Bouw en gebruik van het gemeentelijk ziekenhuis voor besmettelijke ziekten vanaf 1874

Er kwam een vrijstaand stenen gebouw met vier ziekenkamers. Elke kamer had plaats voor vier zieken. Twee kamers waren bestemd voor mannen en twee voor vrouwen en kinderen. Verder was er nog een woonkamer voor het beheerders-echtpaar, een keuken, een wachtkamer voor artsen, gangen, privaten en een lijkenkamer. De verlichting bestond uit gaslicht en water kwam uit de ‘Norton-pomp’, die het water haalde van onder het niveau van het door beerputten vervuilde bovenste grondwater. De Norton-pomp heeft waarschijnlijk gestaan in de Coninckstraat, tegenover de Teutstraat.

Uit de jaarverslagen van de gemeente Amersfoort blijkt dat in de eerste dertien jaar na de stichting, van 1874 tot en met 1887, nooit gebruik is gemaakt van het ziekenhuis. De lijders aan besmettelijke ziekten werden blijkbaar ergens anders verpleegd, waarschijnlijk thuis. In de jaren daarna werd af en toe voor korte tijd een ‘gewone’ zieke opgenomen.

Opheffing in 1904

In 1890 werd een nieuw en moderner ziekenhuis in gebruik genomen, het Gasthuis Aldegonde, opgericht door en voor rekening van Mr. H.J.H. baron van Boetzelaer van Oosterhout, burgemeester van de gemeente Leusden. Het stond aan de Arnhemseweg, op de plek waar later de scholengemeenschap Guido de Brès kwam. Rond 1904 werd bij dit ziekenhuis een paviljoen voor besmettelijke ziekten gebouwd, dat betere voorzieningen bood dan het gemeentelijk ziekenhuis aan de Coninckstraat. De gemeente wilde dit ziekenhuis dan ook opheffen en verkocht het in 1904 weer terug aan het College van Regenten van het Hofje Armen de Poth.

Het Gasthuis Aldegonde sloot rond 1906. Het St. Elisabeth’s Gasthuis vulde de leemte op met een heel nieuw ziekenhuis aan de Sint Andriesstraat. Het gebouw aan de Coninckstraat werd verbouwd tot vijf woningen voor bejaarden. Deze woningen staan er nog steeds.

Verder lezen?

Wilt u het hele artikel lezen? U kunt het artikel hier downloaden:

U kunt het Historisch Jaarboek Flehite ook nabestellen. Daarover vindt u hier meer informatie.

Scheiding van Joodse en niet-Joodse kinderen in het Amersfoortse onderwijs in 1941

Afbeelding bij artikel Scheiding Joodse en niet-Joodse leerlingen Amersfoort 1941

De scheiding van Joodse en niet-Joodse kinderen op Nederlandse scholen was één van de vele anti-Joodse maatregelen, die de Duitse bezetter in 1941 nam. Ook in Amersfoort moest deze maatregel worden uitgevoerd. Hoe ging dit in zijn werk en was er verzet tegen de maatregel? U leest dit in het artikel ‘Het Joodse kind op de Joodse school. De Scheiding van Joodse en niet-Joodse leerlingen in het Amersfoortse onderwijs in 1941’, dat Femke Mooijekind schreef in het Jaarboek Flehite 2014. Hieronder volgt een korte weergave van de inhoud van dit artikel. U kunt onderaan deze pagina ook het hele artikel downloaden.

Landelijke maatregel in 1941: verwijdering van Joodse leerlingen

In augustus 1941 kregen gemeentebesturen en besturen van bijzondere scholen de opdracht dat alle Joodse leerlingen verwijderd moesten worden van openbare en bijzondere scholen, die ook door niet-Joodse leerlingen werden bezocht. Scholen moesten doorgeven of en hoeveel Joodse leerlingen zij hadden. Deze leerlingen moesten met ingang van 1 september 1941 van de school verwijderd worden.

Het stichten van Joodse scholen

Als er in een gemeente meer dan vijftig Joodse leerlingen op een lagere school zaten, moest het gemeentebestuur zo snel mogelijk beginnen met de oprichting van een Joodse lagere school. Dit gold ook voor gemeenten die samen met randgemeenten tot vijftig leerlingen kwamen.

32 gemeenten kwamen in aanmerking voor de stichting van één of meerdere Joodse lagere scholen. In de praktijk betekende dit dat veel Joodse kinderen niet meer naar school konden. Hetzelfde gold voor leerlingen van scholen voor uitgebreid lager onderwijs (ULO), de nijverheidsschool, een lyceum of HBS.

Stichting van een Joodse school in Amersfoort

Begin september 1941 leverden ook Amersfoortse scholen gegevens over Joodse leerlingen aan bij de gemeente. Slechts één school tekende bezwaar aan tegen de maatregel, de kleuterschool van mejuffrouw Van Albada. Waarom was er in Amersfoort zo weinig verzet tegen de scheiding van Joodse en niet-Joodse leerlingen? Een verklaring zou volgens Mooijekind kunnen zijn dat de meeste kinderen in Amersfoort naar openbare lagere scholen gingen. Deze scholen werden bestuurd door de gemeente. Openbare scholen waren dus gewend om opdrachten van de gemeente uit te voeren.

In totaal werden er in Amersfoort 78 Joodse leerlingen geteld, waarvan 45 leerlingen op een lagere school. Daarbij kwamen nog zes Joodse leerlingen van een lagere school in Soest en veertien uit Baarn. Dit betekende dat Amersfoort één van de gemeenten was waar een aparte Joodse lagere school gesticht moest worden.

Op 18 september 1941 begonnen de voorbereidingen. Het was lastig om een geschikt gebouw te vinden. Het was niet toegestaan om een Joodse school onder te brengen in een schoolgebouw waarin ook een niet-Joodse school was gehuisvest. Uiteindelijk werd per 1 december 1941 een Joodse lagere school gesticht in het wijkgebouw aan het Laurens Costerplein 14. Op dat moment gingen 43 leerlingen naar deze school. Er was één hoofd van de school en één leerkracht aangesteld. In de zomer van 1942 was het aantal gestegen tot 53 leerlingen, wellicht omdat er nog leerlingen uit andere gemeenten bijkwamen.

Opheffing van de school per 1 april 1943

Begin september 1942 ging het laatste schooljaar van de Joodse school van start. Er waren toen nog 21 leerlingen. Een groot deel van de Amersfoortse Joden had in augustus 1942 de stad moeten verlaten en was onder andere gedwongen om naar Westerbork te vertrekken. Per 1 september werden de Joodse scholen overgedragen aan de Joodse Raad. De Joodse Raad werd ook verantwoordelijk voor de financiering van het Joodse onderwijs.

De school in Amersfoort werd per 1 april 1943 opgeheven. Er waren toen nog maar 6 leerlingen.

Wilt u het hele artikel lezen? U kunt het artikel hier downloaden:

Femke Mooijekind, Het Joodse kind op de Joodse school. De Scheiding van Joodse en niet-Joodse leerlingen in het Amersfoortse onderwijs in 1941, in Jaarboek Flehite 2014 (pdf)

* In de pdf van het artikel zijn de foto’s vanwege het beeldrecht verwijderd.

U kunt het Historisch Jaarboek Flehite ook nabestellen. Daarover vindt u hier meer informatie.

Amersfoort mei 1940: evacuatie van bijna 44.000 inwoners

Afbeelding bij artikel evacuatie Amersfoort 1940

In de vroege morgen van 10 mei 1940 vlogen de eerste Duitse vliegtuigen over Amersfoort. De stad werd net als de rest van de Grebbelinie gevechtsterrein. De plannen lagen klaar om de inwoners van de stad, net als tienduizenden inwoners van Rhenen en de dorpen tot en met Bunschoten-Spakenburg, zo snel mogelijk te evacueren. Binnen enkele dagen was vrijwel de volledige burgerbevolking van Amersfoort vertrokken.

Betsie van Ravenhorst sprak met mensen die het meemaakten en schreef er een boeiend artikel over in het Jaarboek Flehite 2016. In het artikel ‘Amersfoort, mei 1940: een ordelijke en goed geregelde volksverhuizing’ vertellen 15 Amersfoorters, die toen in de lagere schoolleeftijd waren, over deze indrukwekkende gebeurtenis. Hieronder volgt een korte samenvatting van het artikel. U kunt onderaan deze pagina ook het hele artikel downloaden.

Houdt U gereed!!! De afvoer der burgerbevolking kan ieder ogenblik een aanvang nemen’.

Om 07.15 uur kwam het bevel tot evacuatie van burgemeester Van Randwijck. De inwoners van Amersfoort zouden per trein evacueren naar Noord-Holland. De stad was verdeeld in 44 wijken met een hoofdbegeleider, herkenbaar aan een Sint Joris baniertje. Elke wijk was onderverdeeld in 20 groepen van ongeveer 20 personen. Voor de evacuatie van de ziekenhuizen, inrichtingen en tehuizen was een apart plan opgesteld, dat meteen op de eerste dag van de oorlog werd uitgevoerd.

De volgorde van evacuatie was van tevoren vastgelegd. Vanaf 21.00 uur vertrokken de eerste 2000 personen. Als eerste degenen die woonden aan de Liendertseweg en Hogeweg. Daarna de bijna 20.000 bewoners van het noordoostelijke deel van de stad. Het vervoer ging de hele nacht door. Tot slot volgden de ongeveer 23.000 bewoners van het zuidwestelijke deel van de stad.

‘Wij moesten ons formeren op de Rubensstraat bij het hek naast de ijsbaan. Terwijl wij daar stonden hoorden we in de verte het luchtafweergeschut. Toen het bevel tot vertrek kwam heeft mijn moeder ons allerlei kleren over elkaar aan laten trekken.’

Er waren 40 treinen nodig, duizend inwoners werden met bussen vervoerd. Na vier dagen was de evacuatie voltooid.

Noord-Holland overspoeld door 10 duizenden evacués

Binnen enkele dagen werd Noord-Holland overspoeld door tienduizenden evacués. De gastvrijheid was groot. Er kwamen 20.500 evacués terecht in Alkmaar. Anderen werden ondergebracht in de omliggende dorpen zoals Bergen, Hoorn, Scharwoude, Warmenhuizen, Broek op Langedijk, Limmen, Spanbroek, Obdam, Winkel en Nieuwe Niedorp.

‘Wij gingen in de avond met ons vijven met de trein naar Noord-Holland. Een avontuur voor mij want ik had nog nooit in een treincoupé gezeten. Wij werden ondergebracht in Schoorldam bij een bollenkweker. Mijn vader hielp de boer met het werk en wij speelden buiten in de zon. We zijn een week weggeweest’.

Weer naar huis

Na de capitulatie op 15 mei kwam iedereen binnen een paar dagen met treinen en bussen weer terug. Men trof een redelijk gespaard gebleven stad aan, met veel loslopende huisdieren. Op 20 mei gingen de meeste winkels weer open, evenals de bioscopen. Twee dagen later volgden de scholen.

Wilt u het hele artikel lezen? U kunt het artikel hier downloaden:

* In de pdf van het artikel zijn de foto’s vanwege het beeldrecht verwijderd.

U kunt het Historisch Jaarboek Flehite ook nabestellen. Daarover vindt u hier meer informatie.